è

k u n s t e n p l a t f o r m  a k k v . n l  a r t s  p l a t f o r m s p i r i t u a l i t y  |  s o c i e t y

A K K V

start

actueel

leden

nieuwsbrief

foto archief

bestuur

geschiedenis

werk en visie

guestsites |

weblog

reactie-formulier

flash-intro

contact

De vooroorlogse periode

Het initiatief tot de oprichting van de Algemene Katholieke Kunstenaars-

vereniging werd genomen door het Centraal Bureau van de Katholieke

Sociale Actie (KSA). Dit bureau stelde een kunstcommissie in, die de oprichting van de AKKV moest voorbereiden. De KSA had in het algemeen een uitbreiding van het aantal katholieke organisaties op het oog, die de katholieke emancipatie moesten bevorderen. Met de oprichting van de AKKV werd voorzien in de behoefte aan een algemene landelijke overkoepelende katholieke kunstenaarsorganisatie, naast de reeds bestaande katholieke kunstverenigingen. In de oprichtingsvergaderingen waren afgevaardigden van plaatselijke kunstverenigingen van katholieke signatuur aanwezig, zoals Herman van den Eerenbeemt en Frank Luns. De voorzitter van de KSA, architect A. Tepe, had deze afgevaardigden bijeengebracht. Als adviseur fungeerde de latere bisschop van Haarlem, J.D.J. Aengenent. De feitelijke oprichting van de akkv had plaats op 22 december 1920.
De leden van de AKKV organiseerden zich in vakgroepen. De Groep Bouwkunst kwam als eerste van de grond, daarna volgde de Groep Beeldende Kunsten. De Groep Bouwkunst was tot na de Tweede Wereldoorlog de meest actieve groep. Door deze groep werd het blad
Mededeelingen uitgegeven, waarin men naast verenigingsnieuws ook architectonische vraagstukken behandelde.
Na een nogal moeizame start (de vereniging had in 1921 74 leden), kreeg de akkv vanaf de jaren dertig steeds meer leden en trok zij met name de aandacht door haar studiedagen te Huybergen, waar door verschillende kunstenaars (vooral architecten) vraagstukken werden besproken op het gebied van kerkelijke kunst. De Delftse hoogleraar M.J. Granpré Molière zag in deze studiedagen de beginselverklaring van wat later binnen de architectuur de Delftse School werd genoemd. Het in 1929 opgerichte R.K. Bouwblad werd als de spreekbuis van deze richting gezien. Dit blad had een sterk traditionele inslag.
Het episcopaat hechtte er veel belang aan dat elke katholieke kunstenaar in Nederland zich zou aansluiten bij de AKKV. Lange tijd werd zij beschouwd als de standsorganisatie van katholieke kunstenaars. De leden waren vrijwel altijd ook nog georganiseerd in een van de neutrale vakverenigingen. Voor de leden van de Groep Bouwkunst bijvoorbeeld was dit de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). In een periode van volledige verzuiling van de samenleving was het opmerkelijk dat een dergelijk neutraal lidmaatschap door het episcopaat niet werd verboden.

Na de oorlog

Na de oorlog kwam de vereniging tot volle wasdom. De Groep Bouwkunst fuseerde in 1946 met de Katholieke Vereniging van Architecten (KVA) en in 1948 trad de RK Vereniging van Toonkunstenaars (RKVT) toe tot de AKKV. Hiermee nam het ledental flink toe. De Groep Toonkunst was nu de meest actieve groep.
De toenemende ontkerkelijking van de Nederlandse samenleving in de jaren zestig en zeventig liet de AKKV niet onberoerd. Katholieke kunstenaars waren minder geneigd zich aan te sluiten of wilden zich niet meer als katholiek profileren. Vanwege haar financiële problemen nam de AKKV in 1961 een federatieve status aan en ging voortaan het Algemeen Katholiek Kunstenaarsverbond heten. Door verschillende fusies werd het proces van absolute ledenafname nog tot in de tweede helft van de jaren '60 tegengehouden. Zo bestond het AKKV in 1963 uit 850 leden, waarmee het groter was dan ooit. In de tweede helft van de jaren zestig verlieten echter zowel de Katholieke Dirigenten en Organisten Vereniging (KDOV) als de Rooms-Katholieke Vereniging van Toonkunstenaars (RKVT) het AKKV.
Het is opvallend dat het AKKV zich niet, zoals vele andere katholieke organisaties in deze periode, aansloot bij een algemene vakorganisatie van kunstenaars. Er werd enigszins krampachtig vastgehouden aan de katholieke signatuur. Het verbond ging in de komende decennia steeds meer leunen op enkele steunpilaren die het draaiende probeerden te houden. Architect Herman Reuser was er hier een van. In de jaren '80 onderging het verbond echter een identiteitsverandering, het werd oecumenisch en nam de naam Algemeen Kristelijk Kunstenaars Verbond aan.

Kunsthistorische betekenis van het AKKV

Het AKKV heeft onder zijn leden een groot aantal noemenswaardige kunstenaars geteld. Men denke hierbij aan hoogleraar M.J. Granpré Molière, de architecten Jan Stuyt, F.P.J. Peutz, A.J.N. Boosten, A.J. Kropholler, Jan en Nico van der Laan en H.M.A. van Helvoort. Daarnaast kende de Groep Beeldende Kunsten leden als Jan Eloy en Leo Brom, A.C. Ninaber van Eyben en Nico Witteman; de schilders Kees Dunselman, Charles Eijck, Henri Jonas en Otto van Rees; beeldhouwers als Mari Andriessen, Albert Termote en Charles Vos. Bekende namen van AKKV Musici zijn onder

meer: Elisabeth Cooymans, Kathinka Minzinga, Maurice Pirenne, Mario Veldpape, John Vredeveldt, Reinier Wakelkamp.
Andere prominente leden waren Anton van Duinkerken, Pieter van der Meer de Walcheren, Alphons Laudy en Gerard Brom; de musicologen J. Smits van Waesberghe en de franciscaan Cassianus Hentzen, die lange tijd de geestelijk adviseur van het AKKV was. Dit is slechts een greep uit het totale ledenbestand. De voorzitters van de AKKV Joseph Cuypers, P.G. Buskens, Alphons Siebers, Joan Collette, Herman van den Eerenbeemt, A. Wijffels, Willem Andriessen, Bernard Verhoeven en Herman Reuser vormden de pijlers waarop de vereniging steunde. De belangrijkste organen van de vereniging waren het eerder genoemde R.K. Bouwblad (1929-1940), Van Bouwen en Sieren (1930-1933) en het Katholiek Bouwblad (1946-1959). Met deze organen (en met de studiedagen van Huybergen) had de AKKV een duidelijke stem binnen de Nederlandse architectuur en de christelijke kunst in het algemeen. In de bladen en in de notulen van vergaderingen waren echter weinig andere geluiden te horen dan het door het episcopaat voorgestane standpunt over kerkelijke kunst. Men kon het AKKV dus niet als een vernieuwende vereniging ten aanzien van de kerkelijke kunst beschouwen, al waren sommige leden wel vernieuwend in hun werk.

Eenzijdige belangenbehartiging

De vereniging is gedurende haar bestaan voortdurend bezig geweest de belangen van de katholieke kunstenaar te behartigen. Zij was in principe geen vakorganisatie, maar een vereniging die zich over de verschillende aspecten van de christelijke kunst boog en probeerde deze kunst tot een hoger peil te verheffen. De bestuurders van de AKKV benadrukten de noodzaak van het bestaan van de vereniging en van aansluiting hierbij als katholiek kunstenaar. Zij werden hierin sterk gesteund door de bisschoppen, die tot in de jaren '60 veel steun gaven aan het voortbestaan van het AKKV. De leden werden doorgaans vanuit praktisch oogpunt lid. Zo was het voor architecten volgens bisschoppelijke bepalingen een verplichting katholiek georganiseerd te zijn.


AKKV VANDAAG: individueel, vernieuwend, vrij en open


Het opmerkelijke van het AKKV is, dat het zich als kunstenaars verbond na 90 jaar heeft weten staande te houden door het historische, katholieke karakter te verruimen tot een christelijk karakter met respect voor individuele achtergronden en interpretaties, binnen het brede spectrum van

alle denominaties. Niet het dogma maar de authenticiteit is bepalend voor de kunsten. De uiteindelijke verworvenheid voor het AKKV is, (op nog één

decennium verwijderd van één eeuw): de overtuiging dat niemand de waarheid in pacht heeft. Een gelaagd geheim, vrij en open voor individuele gevoelens, fantasieën, concentratie en talent brengt kunstenaars uit

alle disciplines in het AKKV, samen.


kdc/mvde   |  akkv.nl  |  disclaimer  |  contact  | linksá

A l g e m e e n  K r i s t e l i j k  K u n s t e n a a r s V e r b o n d

A K K V

geschiedenis